[Opinie] Over de zin van taalnormen

Goede redenen voor foute taalGisteren was ik op het symposium ‘Goede redenen voor foute taal’. Drie van de vier sprekers, organisator Jenny Audring, Dominiek Sandra en Heleen de Hoop, behandelden een algemeen bekende en afgekeurde ‘taalfout’ en lieten zien welke systematiek erachter zat waardoor die ‘fouten’ toch even algemeen gemaakt worden. De vierde spreker, Peter-Arno Coppen ofwel De Taalprof, had het dan weer over de insteek van waaruit doorgaans over taal en taalnormen gedebatteerd wordt, en hoe het komt dat zo’n debat heel vaak tot niets leidt. Heel boeiend allemaal.

En dan volgde het debat, met de Taalunie, twee van de sprekers en twee taaldocenten. Stof tot nadenken gaf het. En achteraf spijt dat ik op dat moment het woord niet heb genomen. Er bleven namelijk enkele zaken helemaal onderbelicht, die voor de vraag hoe nuttig en nodig een norm zijn nogal cruciaal zijn. Ik haal enkele zaken aan die meer dan eens terugkwamen, en die volgens mij niet afdoende werden uitgepraat.

  • Waarom veranderen we de norm niet als in de praktijk sommige zaken altijd fout worden gedaan, wat gezegd/geschreven wordt toch begrijpelijk blijft en er nog eens een heel heldere systematiek achter blijkt te zitten ook (dat is het geval met ‘hun hebben’ en met het verkeerde gebruik van mannelijke/vrouwelijke voornaamwoorden)?

Tja, waarom niet? Iedereen doet het (nou ja, iedereen. Het noordelijke deel van het taalgebied toch) en iedereen begrijpt het. Wat is dan het probleem? Het probleem is de attitude van ‘de taalgebruiker’. Een norm is namelijk niet de variant die meest logisch, het meest gestructureerd, leerbaar, begrijpelijk of gebruikt is. Het is de variant die door de meeste mensen gezien wordt als ‘hoe het hoort’. En net zoals met alle andere normen komt ‘hoe het hoort’ lang niet altijd overeen met hoe het in werkelijkheid gebeurt. Daarom zijn het net normen. Het zijn toetsstenen waartegen gecheckt wordt of je zelf goed bezig bent, of je bij de groep hoort (of bereid bent te horen) en zelfs – of je dat nu leuk vindt of niet – waarmee de ander als ‘minder goed’ wordt afgerekend. Dat geldt overigens zeker niet enkel voor de standaardtaalnormen. Elke taal heeft normen, en die normen worden elke keer impliciet of expliciet bepaald door de taalgemeenschap die die taal hanteert. Wijk je daarvan af, dan word je daarop afgerekend of terechtgewezen. Dat geldt voor jongerentalen (verschillend van school tot school zelfs), dialecten, vaktalen, indianentalen enz. Het gaat bij normen helemaal niet om begrijpelijkheid, wel om de groepsvormende functie van de taal.

Dus, zelfs al zouden we nu alle taaladviezen van de Taalunie schrappen, dan nog zul je taalnormen hebben. Alleen worden die dan helemaal impliciet, en dus nog moeilijker om als buitenstaander te leren.

En normen veranderen zeker. Dat gebeurt zelfs voortdurend, heel onopgemerkt. De taaladviezen van de Taalunie komen immers niet zomaar uit de lucht vallen, en ze ontstaan ook niet uit het buikgevoel van een of twee obscure kamergeleerden die het plebs wil opleggen Hoe Het Hoort. In het nieuwe nummer van Over taal doe ik uitgebreid uit de doeken hoe dat gebeurt. Ik vat het hier even kort samen: elk advies wordt eerst onderzocht in naslagwerken, tekstcorpora en zelfs bij een panel. Een van de aspecten die bij dat onderzoek horen, is net die attitude. Soms wordt een taalkwestie na jaren opnieuw onderzocht, en indien nodig wordt het advies aangepast. Veranderd, dus. Inderdaad.

 

  • Taalfouten bestaan niet, want ik als moedertaalspreker kan geen fouten maken. Wat ik uit mijn mond krijg, is per definitie juist. Als dat dus tegen de norm ingaat, is die norm fout. En als ik daarop word gecorrigeerd, werkt dat taalonzekerheid in de hand.

Tja, als Belg denk ik spontaan: ‘Welkom in mijn wereld.’ Mijn wereld is er een waarin het Nederlands dat je als moedertaal leert bijna per definitie fout, onvolmaakt, gebrekkig enz. is, omdat het ofwel ‘gekuist dialect’ ofwel net te regionaal gekleurde standaardtaal is. ‘Tussentaal’ dus, en dat is ‘slechte taal’. De goede taal, die leer je op school. En hoe langer je taal studeert, hoe meer goede taal je leert. Hoe goed je ‘moedertaal’ is, hangt dus niet af van je moeder, maar van je opleidingsniveau. Bovendien was onze taalnorm tot een jaar of twintig geleden er eentje die we leenden uit een ander land. Een andere omgeving, realiteit, actualiteit dus. Leer die maar eens foutloos gebruiken.

Mijn punt is dat het inderdaad vervelend is als je op de vingers getikt wordt voor jouw spontane moedertaalgebruik omdat het niet strookt met de een of andere norm. Maar die persoonlijke norm ‘ik krijg het gezegd dus is het juist’ kun je in de realiteit enkel blijven hanteren als je uit het normvormende gebied afkomstig bent, of enkel binnen jouw omgeving. Ga je buiten die cocon van gelijkgestemden, dan pleeg je vroeg of laat met jouw foutloze moedertaal een inbreuk op de persoonlijke taalnorm van je gesprekspartner, die de dingen die jij vlot zegt zelf nooit over de tong zou krijgen. Als Vlaming gebeurt me dat nu nog steeds voortdurend. En wat doe je dan? Alle normen overboord en vrijheid-blijheid? In een ideale wereld misschien, maar zo werkt het nu eenmaal niet.

Als vertaler moet ik soms een tekst vertalen voor het hele taalgebied. Ik weet donders goed dat typische kenmerken van mijn Vlaamse Nederlands, hoewel als taalvariant perfect aanvaardbaar en begrijpelijk, voor heel wat noorderburen volstrekt onaanvaardbaar, fout Nederlands zijn. Als ik dan vrijheid-blijheid-er-bestaan-geen-taalfouten inroep, heb ik een schadeclaim aan mijn been en hou ik geen klanten meer over. Dus ik conformeer, en daarvoor heb ik adviezen en naslagwerken nodig. Ik ken namelijk niet àlle normen, en dat besef ik. Dus hoe zeer ik ook fan ben van taalvariatie en ik elke nieuwe variant toejuich, ik ben ook blij dat die taaladviesdiensten en naslagwerken bestaan. Het is wat omslachtiger werken dan gewoon uit de losse pols schrijven of vertalen, zeker. Maar ik schrijf niet voor mezelf en mijn cocon. Mijn teksten zijn bestemd voor een bepaald doelpubliek, en ik heb liever niet dat dat zich ergert of stoort aan mijn taalgebruik.

 

  • Een opmerking die de leraren in het panel een paar keer te horen kregen, was of het niet hypocriet was een taaluiting bij leerlingen (meer bepaald ‘hun hebben’ e.d.) te corrigeren als ze wisten dat iedereen het doet, zijzelf inclusief. Het antwoord van die leraren was: ‘Ik wil ze leren dat ze daarop kunnen worden afgerekend.’

Ze hebben gelijk. Dat bestaat een mooi woord voor: opvoeding. Jongeren hebben in hun dagelijkse leven weinig gelegenheid om in contact te komen met het standaardtaalregister, de ‘norm’ bij uitstek dus. Toch moeten ze die ook leren kennen, want in hun volwassen leven zullen ze wel in situaties komen waar de standaardtaal de norm is en dan worden ze daar inderdaad op afgerekend. Het bewijs daarvoor heb ik gezien in mijn kleinschalige onderzoekje naar taal op commerciële websites. Over welke taalkwesties het ook gaat – spelfouten, veel vaktaal, onnodig Engels, complexe zinnen – het valt heel wat mensen op, ze storen zich eraan en ze haken af. Meer nog:  de reputatie van het bedrijf krijgt een deuk(je). Heel wat mensen vinden een bedrijf dat geen zorg draagt voor de taal op zijn websites laks, lui, onprofessioneel en zelfs onbetrouwbaar. Want, is de redenering, je kunt altijd een professional inschakelen om dat in orde te maken.

Hoe hard je ook roept dat dat niet zou mogen en dat dat moet veranderen: het is zo en zal zo blijven. Je zult geen miljoenen taalgebruikers afleren mensen op hun taal te beoordelen, omdat jij dat niet leuk vindt. Dat is een illusie. Dan is het veel eenvoudiger je daarbij neer te leggen en ervoor te zorgen dat je tekst, je taal gewoon netjes in orde is. Het bespaart je in ieder geval een hoop gezeur over zaken die niets met je boodschap te maken hebben.

Wat overigens ook veel mensen niet beseffen, denk ik, is dat de normen van de Taalunie helemaal geen strakke normen in de zin van geboden en verboden zijn. Het zijn adviezen, en jij als taalgebruiker bent volledig vrij om te beslissen wat je ermee doet. Een label ‘standaardtaal in België’ betekent niet ‘verplicht in België’ of ‘verboden in Nederland’, maar wel: als je dit gebruikt, zullen er amper mensen zijn in België die daar een probleem mee hebben. In Nederland daarentegen zul je waarschijnlijk op onbegrip of ergernis stoten. Dat advies pas je dan toe volgens jouw eigen doel. Is je doelpubliek Belgisch, dan heb je geen enkel probleem. Is het Nederlands, dan weet je nu dat je opmerkingen zult krijgen. Aan jou om te beslissen of je dat erbij wil nemen, maar nu weet je het ten minste.

Persoonlijk vind ik dat prima. Houden zo, een norm die helder is en die toch niet manu militari wordt opgelegd. En wie dat niet zo prima vindt, die kan die norm perfect naast zich neerleggen. Hij of zij zal er de consequenties dan wel bij moeten nemen.

Andere blogs naar aanleiding van dit symposium

Wouter van Wingerden (Doetietsmettaal)

Gaston Dorren (Taaljournalist)

Martyn Jones (in het Engels)

Milfje Meulskens (Sterre Leufkens en Marten van der Meulen)

Print Friendly

4 reacties

  1. Ik zeg ’t altijd zo: ‘hun hebben…’ zeggen is niet dom maar onverstandig.

  2. Sterk verhaal met waardevolle inzichten, dankjewel. Als Nederlander en voorstander van soepele normen had ik er zo nog niet tegen aangekeken.

  3. Felix van de Laar

    Taal is in een gevangenis veranderd. Met vele gretige cipiers en nog veel meer gevangenen. En door haar eigen prachtige smeedijzeren tralies ziet de taal met lede ogen hoe de mode en de kunst en de techniek en alle andere domeinen zich in vrijheid in alle denkbare en ondenkbare richtingen verder ontwikkelen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *