Taalverteller Filip Devos

Taal is een onderwerp waar zowat iedereen wel iets over te zeggen heeft. Want iedereen spreekt op zijn minst één taal, heeft op school leren lezen en schrijven, en heeft ooit te horen gekregen wat goed en fout Nederlands is.

Maar er zijn ook mensen die gefascineerd zijn door taal. Zij studeren taal, maken er hun vak van, spelen met taal, onderzoeken taal en verliezen hun verwondering voor taal nooit. Zulke mensen zijn mijn taalvertellers. Het zijn stuk voor stuk mensen die ik respecteer en zelfs stiekem bewonder om wat ze over taal en alles daarrond weten en wat ze er zoal mee doen. En zo iemand is Filip Devos. 

YouTube / Taalverhalen – via Iframely

Filip Devos

Filip Devos

Filip Devos is docent Nederlands aan de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent, en hoofdredacteur van Over taal.

1. Wat fascineert je zo aan het verschijnsel taal?

Wat me zo fascineert, is dat taal me maar blijft verrassen, dag na dag. Allicht omdat taal zo’n onuitputtelijk vat van creativiteit is. Die lexicale en structurele rijkdom: hoe die ontstaat, verandert, verloren gaat. En hoe het taalsysteem zichzelf toch zo mooi in stand houdt. En dat jonge kinderen dat alles moeiteloos oppikken. Ik blijf maar leuke zaken ontdekken aan taal. Hoe ouder ik word, hoe meer zelfs. Verwonderlijk, allemaal.

2. Waarom heb je voor een taalkundige studierichting gekozen?

In eerste instantie wou ik Germaanse talen gaan studeren voor de literatuur. De taalkunde heeft me echter verleid. Mijn eerste grote liefde was de derivationele woordvorming (hoe we nieuwe woorden vormen door ze af te leiden van bestaande woorden, zoals ‘tovenaar’ uit ‘toveren’ en ‘lopende’ uit ‘lopen’). Mijn eerste echte onderzoekje, dat was voor mijn ‘thesis’ of masterproef, ging over de semantiek of betekenisleer van -ing-deverbatieven. Dat zijn zelfstandige naamwoorden die van werkwoorden zijn afgeleid door–ing achter de stam te zetten, zoals ‘vergadering’ en ‘beraadslaging’. Een wonderlijke wereld ging toen open. Een werkelijke coup de foudre was het, en ik was op slag verkocht. Daarna zijn er nog vele liefdes gevolgd (grammatica, idiomatisch taalgebruik, leenwoorden, contrastieve grammatica en valentie, didactische aspecten van spelling- en grammatica-onderwijs, enz.).

3. Hoe zag het begin van je taalcarrière eruit?

Ik ben begonnen als wetenschappelijk onderzoeker op de contrastieve grammatica van het Nederlands, het Frans en het Engels. De eerste jaren stond ik dus mee aan de wieg van de onderzoeksgroep Contragram. Daaruit is later ook het CVVD ontsproten: het ‘Contrastive Verb Valency Dictionary of Dutch, French and English’ (of het contrastieve woordenboek van de valentie van het werkwoord in het Nederlands, Frans en Engels).

4. Heb je een voorbeeld, iemand die je op taalvlak inspireert of geïnspireerd heeft?

Mijn liefde voor taal, daar zal de leraar Nederlands in het secundair onderwijs wel voor iets tussen gezeten hebben. En de vele (Vlaamse en vooral Nederlandse) schrijvers die ik toen las. Maar mijn liefde voor taalkunde, waar ik uiteindelijk ook mijn job van heb kunnen maken, heb ik toch in grote mate te danken aan mijn bevlogen en passionele leermeester Nederlandse taalkunde aan de universiteit, Johan Taeldeman. Hij heeft me het (taal)pad getoond, en hij heeft me later ook alle kansen gegeven om dat (rechte :-) ) pad te blijven volgen.

 

Wat me zo fascineert, is dat taal me maar blijft verrassen, dag na dag. Allicht omdat taal zo’n onuitputtelijk vat van creativiteit is. Die lexicale en structurele rijkdom: hoe die ontstaat, verandert, verloren gaat. En hoe het taalsysteem zichzelf toch zo mooi in stand houdt.

 

5. Met welke fijne, interessante taalzaken ben je nu bezig?

Ik ben constant bezig met Over taal, en volg daarvoor de taalactualiteit op de voet. Ik geef les en begeleid een tiental studenten bij hun bachelorpaper of masterproef. Ik doe nu onder meer een onderzoek naar spellingvaardigheden en spellingattitude, en een onderzoek naar beknopte bijzinnen als oorzakelijk object. Dat laatste klinkt saai misschien, maar mij boeit het waarom mijn collega zegt ‘Ik ben gewoon naar school te fietsen’, terwijl ik zelf dat wat vreemd vind, en zelf zeg: ‘Ik ben het gewoon naar school te fietsen’. Ik wil weten wat daar mogelijk achter zit.

Daarnaast heb ik nog veel plannen. Ik zou graag eens een beknopte Nederlandse grammatica schrijven. Vanaf nul. Voor dummies dus. Of een boekje over de taal van de friet. Veel interessante taalzaken dus, maar helaas is daar te weinig tijd voor. En ook nauwelijks ruimte: de academische overheid is het enkel om top A1-publicaties in het Engels te doen. Jammer, want zo blijven veel fijne, interessante taalzaken onder het stof liggen.

6. Vorig jaar lanceerde je een petitie voor meer erkenning van wetenschapspopularisering door de Vlaamse overheid. Onlangs kreeg je de LOF-prijs van de Stichting Nederlands, omdat je in deze petitie ook pleit voor het gebruik van het Nederlands in wetenschappelijke artikels. Heeft de overheid intussen al gereageerd op je initiatief?

Binnenkort ga ik de petitie voorleggen aan de politieke en academische overheden. Meer dan lippendienst verwacht ik niet. Dus gaat de strijd door voor (taal)wetenschapspopularisering in het Nederlands. Verandering vraagt tijd, maar ik blijf er duizend procent in geloven. Dat is wat tegen de stroom in varen, maar ik kan niet lijdzaam toezien welke nefaste gevolgen het academische klimaat tegenwoordig allemaal heeft.

7. Welk dialect, welke taalvariant, taalregister vind jij het mooist/interessantst? Is daar een speciale reden voor?

Ik kan even goed genieten van het West-Vlaams in Bevergem als het Nederlands op het VRT-journaal, of de chattaal van jongeren. Of de ontroerende schoonheid van een dichtregel of een lied. Of het taaltje van de peuter die zijn eerste woordgroepjes maakt. Of het echte Brusselse dialect. Of het Engels van Italianen, en ga zo maar door. Zelfs de bobotaal van managers heeft iets. Alle varianten, net zoals alle registers, hebben de facto hun bestaansrecht, en alle varianten tonen een ingenieus systeem op het gebied van lexicon en grammatica. Ik kan op het gebied van taal met alle wil van de wereld echt niet over ‘mooist’ of ‘interessantst’ spreken.

8. Wat zou jij nog graag onderzocht willen zien?

Ik heb een word-bestandje met tientallen leuke onderwerpen die nog het onderzoeken waard zijn. Dat lijstje gebruik ik jaarlijks voor masterproefonderwerpen. De verwondering over iets wat je leest of hoort, is meestal de eerste aanzet. ‘Kalver- en veehandel’ las ik onlangs op een vrachtwagen. Vreemd, vond ik, en dan wil ik weten waarom ik dat zelf vreemd vind en een ander niet, bijvoorbeeld. En ieder jaar wordt het lijstje met onderwerpen langer, wat aantoont dat er nog ontzettend veel boeiends te onderzoeken valt. Ik schuw daarbij de variatie niet: ik ga qua onderzoeksthema’s liever in de breedte dan in de diepte. Ik gedraag me nogal gulzig. Verandering van spijs doet eten, al is ook dat niet helemaal ‘academisch’ natuurlijk.

9. Heb je een favoriet filmpje of boek over taal dat je aan iedereen zou aanraden?

In ons taalgebied worden we op dat vlak natuurlijk ontzettend verwend. Het Nederlands is een van de best gedocumenteerde talen ter wereld. Er gaat geen week voorbij of er verschijnen wel enkele taalboeken over het Nederlands, en het internet staat bol van leuke websites, blogs en filmpjes. Het is als met eten en drinken, en zoveel meer: ik lust enorm veel. Maar als het echt moet: de filmpjes van neerlandicus Drs. Kipping, het typetje van Kees van Kooten, op YouTube, of de filmpjes van acteur Wim Opbrouck over het ‘West-Vlaams’. Als recente boeken raad ik graag aan: Taal in 2015. Onvergetelijke bloopers, taaltrends, nieuwe woorden, opvallend taalnieuws en andere favoriete taalmomenten van 2015, de nieuwe Dikke Van Dale en Dat hoor je mij niet zeggen! De allerbeste taalclichés.

10. Heb je nog een taalverhaal dat je graag met de wereld wil delen?

Taal is geen strikt, genormeerd of normerend keurslijf waar een of andere taalpolitie je in wil wringen. Ik ben jammer genoeg wel met die gedachte opgegroeid, maar die visie houdt totaal geen steek, al delen veel taalgebruikers ze nog. Taal is vooral boeiend, leuk, verrassend, verwonderlijk. Taal is gewoon leuk speelgoed, zou je kunnen zeggen. Als docent en als hoofdredacteur van Over taal probeer ik vooral die passie te delen met andere mensen.

 

Ik zou graag eens een beknopte Nederlandse grammatica schrijven. Vanaf nul. Voor dummies dus. Of een boekje over de taal van de friet.

 

Wil je meer weten over Filip Devos? Klik hier om zijn deelwebsite aan de Universiteit Gent te bezoeken en hier voor het tijdschrift Over taal.
Print Friendly

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *