Een gedreven taalwetenschapper

Een verhaal over taalwetenschap, gedrevenheid en wilskracht

Er was eens een jonge, gedreven professor taalwetenschappen met een ambitieus plan. Hij zag in de buurlanden allerlei spannende, boeiende taalprojecten ontstaan en wilde dat ook voor het Nederlands. En daarom uitte hij op een bijeenkomst van Vlaamse en Nederlandse taalwetenschappers zijn wens om een vereniging van taalwetenschappers op te richten, die dan samen gelijkaardige spannende, boeiende projecten zouden kunnen uitvoeren. De collega’s reageerden enthousiast. Nu ja, op zijn profs, er volgde geen mexican wave of zoiets. Maar ze vonden het wel een goed idee. Vooral doen, collega.

En dan zou je al nattigheid kunnen voelen. Twee jaar later sprak onze prof opnieuw op een congres. Hij maakte een stand van zaken op: de vereniging was er nog niet, en dat had verschillende redenen. Het belangrijkste probleem was dat er een rijksgrens door het Nederlandse taalgebied loopt. Dat was natuurlijk twee jaar eerder ook al het geval, maar onze prof had de invloed ervan onderschat. Overheden financieren namelijk niet zo graag projecten aan buitenlandse instituten. Begrijpelijk, maar wel jammer dat een taalgebied dat al niet zo groot is op die manier nog kleiner wordt. Een tweede probleem was dat hoewel de interesse bij de collega’s wel groot was, het veel moeilijker bleek om die collega’s ook geactiveerd te krijgen voor zo’n vereniging.  Tijdelijke samenwerkingen lukten soms wel, maar een duurzaam engagement ging toch net wat te ver.

Nu, onze prof liet het niet aan zijn hart komen. Hij leerde uit deze drempels en stelde zijn plannen bij. Voortaan richtte hij zich op ‘zijn’ stukje van het taalgebied, het zuiden. Tegelijk hield hij nauw contact met zijn noordelijke collega’s die zich op ‘hun’ stukje concentreerden. Ze stemden hun onderzoeksmethodes op elkaar af, zodat ze hun gegevens zonder problemen zouden kunnen samenvoegen bij elke gelegenheid die zich aandiende. En hij begon gewoon met zijn materiaalverzameling. Voor de eerste sessies schakelde hij de mensen in die hij bij de hand had, en die geen ‘nee’ konden zeggen: zijn studenten. Hij gaf immers les aan studenten in de lerarenopleiding, en maakte van zijn materiaalverzameling gewoon een lesopdracht. Op die manier had hij al snel een basis, waarmee hij enerzijds zijn eigen onderzoeksplannen stilaan vorm kon geven, en anderzijds aan de buitenwereld – collega’s, overheden, andere geïnteresseerden – tonen wat hij van plan was. Hij gaf zijn vereniging, die in de praktijk enkel bestond uit hijzelf, zijn studenten en enkele medewerkers, ook alvast een naam. Als je een naam hebt, besta je. Zo eenvoudig gaat dat.

Het bleek een goede zet, zowel die naam als die eerste materiaalverzamelingen. Onze prof heeft in de loop van de jaren nog wat moeten bijsturen, wat tegenvallers te verwerken gekregen maar ook enkele meevallers gehad. Zo stelde de universiteit hem enkele jaren later een verdieping in één van de universiteitsgebouwen ter beschikking, die hij op eigen kosten inrichtte, waar hij een bibliotheek-werkruimte voor zichzelf en zijn medewerkers inrichtte en waar zijn materiaalverzameling een plaats kreeg. Zijn vaste groep invullers groeide gestaag en op een gegeven moment kon hij zelfs een assistent nemen die hem bij de uitvoering van zijn plannen hielp. Toen ook de noorderburen met gelijkaardige materiaalverzamelingen van start gingen, kwamen er geregeld tijdelijke, heel mooie samenwerkingen tot stand.

Dit zou een universeel verhaal kunnen zijn. Nog altijd immers is de rijksgrens vaak een hinderpaal om grensoverschrijdende taalwetenschappelijke (en andere) projecten op te starten. En nog altijd is gewoon koppig je gang gaan, proberen en bijstellen de beste manier om iets van de grond te krijgen. Soms bloedt dat dan dood, soms komt er uiteindelijk iets moois uit. En heel soms levert jouw initiatief een erfenis op waar een hele wetenschapstak nog generaties lang op kan voortbouwen.

Het ware verhaal

Dat is het geval met het bovenstaande verhaal. Ludovic Grootaers werd in 1907 doctor in de Germaanse Talen (licenties

Mededeelingen van de Zuidnederlandsche Dialectcentrale

Eerste bladzijde van de Mededeelingen van de Zuidnederlandsche Dialectcentrale (1922). Bijblad bij Leuvense Bijdragen.

bestonden toen nog niet) met een proefschrift over het dialect van Tongeren. De taalwetenschappen en vooral de dialectologie lieten hem niet meer los, zeker toen hij zag wat voor een hoge vlucht de dialectologie in Duitsland kende, en hoe de dialectgrenzen in die atlas frustrerend ophielden tegen de Duits-Nederlandse rijksgrens. Zijn eerste plannen om een groot Nederlands dialectwoordenboek en een Nederlandse dialectatlas te maken, botsten op de Belgisch-Nederlandse rijksgrens. Desondanks ging hij van start met vragenlijsten in Nederlandstalig België, omdat hij het gevoel had dat de dialecten onder druk stonden en dat talige erfgoed verloren dreigde te gaan als het niet snel werd opgetekend. We spreken nu over 1920. In de loop van vijfendertig jaar stelden Grootaers en zijn medewerkers 50 vragenlijsten op, die tienduizenden ingevulde enquêtes opleverden. Dat materiaal is gebruikt voor diverse projecten, waarvan de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland, het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, het Woordenboek van de Brabantse Dialecten en het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten de bekendste zijn. Daarnaast is er de beroemde vlinderkaart, waarvan Pauwels al in 1935 een eerste versie tekende op basis van het ingezamelde materiaal.

Grootaers startte in feite met zijn Zuidnederlandsche Dialectcentrale in 1922, toen hij zijn eerste vragenlijst uitstuurde. Die Dialectcentrale groeide in de jaren zestig en zeventig uit tot een klein onderzoeksinstituut, waaraan diverse professoren van Leuven verbonden waren. In 1975 ging het samen met het Instituut voor Naamkunde en kreeg het de naam Instituut voor Naamkunde en Dialectologie. In de jaren twintig en dertig ontstonden er meer zulke instituten in Gent, Luik, Leiden, Nijmegen en Amsterdam. Die instituten hebben vaak samengewerkt, maar zijn sinds de jaren tachtig en negentig geleidelijk aan opgegaan in de diverse departementen van hun universiteiten. Enkel het Amsterdamse Dialectbureau is er nog. Tegenwoordig heet dat het Meertens Instituut, naar zijn stichter P.J. Meertens.

Maar het belangrijkste is dat wat begon met een jonge taalwetenschapper die vond dat wat in Duitsland kon ook mogelijk moest zijn in het Nederlandse taalgebied een gigantische materiaalverzameling heeft opgeleverd uit een tijd die nu onherroepelijk voorbij is. De instituten uit die tijd hebben de lexicologie , de dialectologie, de naamkunde, de historische taalkunde en later de sociolinguïstiek en variatielinguïstiek ondersteund. In vergelijking met heel wat andere talen is het Nederlands in al zijn variëteiten bijzonder goed gedocumenteerd en onderzocht. En dat hebben we te danken aan gedreven taalwetenschappers, jong en oud, die koppig gaan voor hun overtuiging, het desnoods zelf doen, proberen, bijsturen en doorgaan.

Bronnen:
Album L. Grootaers. Album aangeboden aan Prof.Dr. L. Grootaers, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit te Leuven bij zijn vijf en zestigste verjaring. (1950)
Mededeelingen van de Zuidnederlandsche dialectcentrale (1922-1954)
Print Friendly

Reactiemogelijkheid is gesloten